Samenvatting van de lezing tijdens de Vesakviering op 17 mei 2009, door Ank Schravendeel
Op Vesak vieren we de geboorte, de verlichting en het heengaan van de Boeddha. Dus vertaald naar christelijke feestdagen: Kerst, Pasen en Hemelvaart in één feest. Kraamvisite en condoleancebezoek in één. Dat klinkt ons wellicht wat vreemd in de oren, maar het is wel meteen de kern van boeddhisme: het leven komt en gaat, en je kunt dat met gelijkmoedigheid beiden herdenken.
In het Vipassanacentrum geven we meditatie, we vertellen over de dhamma. Vesak is een boeddhistisch ritueel, met zijn wortels in de Aziatische cultuur. Hoe vier je zoiets dan in Groningen? Soms roepen andere boeddhistische rituelen weerstand op: buigen voor een beeld, of het chanten van een tekst in een taal die je niet verstaat. In de voorbereidingen van Vesak riep iemand: “maar ik ben helemaal geen boeddhist, wat moet ik met Vesak”. Dat bracht me in herinnering dat ik ooit naar mijn leraar – de eerwaarde Mettaviharee – ging en hem vroeg of ik boeddhist mocht worden. Hij reageerde met: “dat ben je al”! Wanneer ben je boeddhist?
De leer van de Boeddha gaat over de potentie in ieder mens om bewust te zijn. Bewust zijn van: Wat gebeurt er? Wat is je reactie daar op? Leren herkennen van verlangen, weerstand of onwetendheid. Wat is oorzaak, wat is het gevolg? Door erkennend gewaar te zijn ontstaat een proces van zuivering. Als je je niet met je reacties identificeert ontstaat vrijheid. Boeddhist zijn gaat over bewust leven. Dat is geen titel die je status geeft, of iets wat je kunt worden. Boeddhist zijn is iets wat je leeft, soms zelfs zonder je daarvan bewust te zijn. Daar heb je geen rituelen voor nodig om dat te worden, maar die rituelen kunnen wel inspireren en bemoedigen om voeling te houden met je potentie.
Sommige mensen hebben weerstand tegen geloven. Geloof of vertrouwen is de eerste van de vijf indriya’s (krachten die het mediteren ondersteunen). Wat de Boeddha gezegd heeft is niet iets wat je moet aannemen en geloven. Het gaat om je eigen ervaring, waarover je vragen kunt stellen om er wijzer van te worden. Geloof kan je helpen om aan mediteren te beginnen. Verder wordt het pad van je meditatieproces gemaakt omdat je het loopt. Je kunt je gesteund weten door iemand met meer ervaring, maar je hoeft niet te geloven wat die zegt. Jij kijkt hoe wat een leraar zegt strookt met jouw ervaring.
Op Vesak vieren we dat 2500 jaar geleden een mens, prins Siddharta, geboren werd en wilde weten hoe de wereld in elkaar zit. Hij ging in de leer bij meditatieleraren, maar op basis van zijn eigen ervaring vond hij hun antwoorden niet bevredigend en ging hij door met zoeken. Hij bracht de moed op om alle neigingen van zijn geest te doorzien. Dat bracht hem wijsheid en mededogen.
De persoon van de Boeddha is overleden. We zien nu een Boeddhabeeld staan hier in het centrum. Voor mij is het een symbool, een re-minder: “je kunt meer dan je denkt”. De ogen van het Boeddhabeeld zien het lijden, zijn mond glimlacht.
Wat ons rest is de dhamma, de leer van de Boeddha. Toen ik begon met mediteren kreeg ik meditatie instructies, geen theorie. Er was niemand die zei wat ik moest geloven of hoe ik moest zijn. Tijdens mijn eerste retraite hoorde ik dhamma talks van de eerwaarde Mettaviharee. Na een dag op mijn kamer zitten en lopen keek ik uit naar de lezing. Ik begreep dat er iets mis was met het thema verlangen en daar wilde ik niet aan. En verder verstond ik er geen woord van! Na 8 dagen retraite heb ik mijn pogingen opgegeven om het te begrijpen: dit snap ik niet. Toen kwam de volgende lezing binnen en kon ik wat ik ervoer op het kussen gaan leren herkennen in wat er gezegd werd.
Het eerste wat mij opviel in de dhamma was “je bent goed zoals je bent”. Ik hoefde nergens aan te voldoen. Ik rook vrijheid. In de christelijke traditie waar ik in groot geworden ben heb ik wel ervaren dat ik aan normen moest voldoen en ook dat ik daar niet op eigen kracht aan kon voldoen. Dat gaf me een basishouding van zorgelijkheid.
Bij het mediteren was het anders: je begint waar je bent en je bent met wat er is. Er was van alles, een overvloed aan meditatie objecten, ik ervoer vooral dat het niet ging zoals ik wilde. Ik leerde verlangen zien, ook daar was in principe niks mis mee. Ik heb wat afgehuild als mijn idee “dat voel ik zo” niet door mensen om me heen werd bevestigd. Ik leerde dat al die ervaringen terug te brengen zijn naar vier bases van opmerkzaamheid, in het algemeen, geldend voor iedereen. Dat mijn gevoel een concept is en wat anders is dan “dat voel ik zo, dus ik ben dat”. Mijn geest doet niet anders dan met voorkeur en afkeer reageren. Dat is de natuur, bij mij en bij anderen. Dat bracht compassie. Ik kon herkennen dat er een eindeloos proces is van oorzaak en gevolg, los van wie of wat dan ook. Dat geeft ruimte en vrijheid. Dat besef werkt door in gedachten, woorden, in wat ik doe of laat.
In feite gaat het over de vier nobele waarheden:
Als ik Vesak vier, dan vier ik dat de dhamma voorhanden is, dat ik kan doorzien hoe mijn geest werkt. En ik ben blij dat er al die jaren mensen waren die de dhamma hebben doorgegeven: de sangha.
De sangha bestaat uit de mensen die zich verbonden voelen met de dhamma, monniken, nonnen en leken: zoekers naar wijsheid.
Vorig jaar vierden we ook feest: het 15 jarig bestaan van dit centrum. Er waren toen net drie nieuwe bestuursleden, twee nieuwe begeleiders, twee nieuwe huismeesters. We zijn vol enthousiasme met elkaar begonnen. We zijn onszelf en elkaar daarin ook wel tegengekomen: sangha zijn is niet per definitie ideaal. Dat is misschien ook wel de valkuil. We zijn een vrijwilligersorganisatie, en vrijwilligers halen hun energie uit een ideaal. Een ideaal is verbonden met verlangen. Daarmee staat de deur open naar de ervaring van onbevredigend zijn, als het verlangen niet uitkomt.
We hebben als vrijwilligers met elkaar vergaderd. Vorig jaar was er een bijeenkomst waar iedereen ook aangaf wat hij kon inbrengen en wat hij in het centrum wilde. Albert Gorter noemde toen dat dit een oefenplaats is, om te mediteren maar ook het met elkaar samenwerken is onderdeel van het oefenen. Dat is sangha.
Het is een misvatting als je denkt dat je meditatieproces zich beperkt tot een kussentje, dat je dat alleen en voor jezelf doet. Mediteren heeft een heel praktische uitwerking, daar gaan de vijf leefregels ook over:
In het mediteren ervoer ik dat ik goed ben zoals ik ben. Dat rook naar vrijheid. Dat principe geldt voor mij en ook voor alle andere levende wezens. Dat geeft compassie en wijsheid. Van daaruit kan ik begrip hebben voor de neigingen van mijn eigen geest en voor de neigingen van anderen. Compassie betekent overigens niet dat je geen nee kunt zeggen, of dat je maar laat doorzeuren wat onheilzaam is.
Op deze Vesak ben ik blij dat er andere mensen zijn met wie ik samen kan mediteren. Dat is een vorm van wederzijdse dienstverlening. We brengen elkaar in de gelegenheid om door te gaan op ons pad.